
Vaak komt na een lezing over inclusief onderwijs de vraag of ik tegen speciaal onderwijs ben. Deze vraag laat vooral zien hoe gewend we zijn om in twee kampen te denken. Hieronder ga ik daar op in.
Na lezingen over inclusief onderwijs gebeurt er vaak hetzelfde. Iemand komt na afloop naar me toe, bedankt voor het verhaal, kijkt even om zich heen en vraagt dan half fluisterend: "Maar... ben jij dan tegen speciaal onderwijs?"
Het is een begrijpelijke vraag. Alleen: het is niet de vraag waar ik zelf mee bezig ben. Sterker nog, het is een vraag die vooral laat zien hoe we gewend zijn geraakt om over kinderen en onderwijs te denken. In kampen. Vóór of tegen.
Mijn missie laat zich simpel onder woorden brengen: steeds minder kinderen die opgroeien met het idee dat het aan hen ligt dat zij niet aan onze normen voldoen.
Niet meer, niet minder. Het gaat me niet om gebouwen, stelsels of sectoren op zich. Het gaat me om wat kinderen innerlijk meenemen uit hun schooltijd.
Een kind dat opgroeit met de gedachte "het ligt aan mij - ik ben te druk, te traag, te ingewikkeld, ik pas niet in de klas zoals die is" draagt daar vaak nog jaren de gevolgen van. Inclusief onderwijs is voor mij geen doel op zichzelf, maar een manier om die innerlijke boodschap te veranderen. Weg van "het ligt aan mij", naar "ik mag er zijn, en volwassenen nemen verantwoordelijkheid om de wereld om mij heen passender te maken".
In mijn boek 'Van bijzonder naar gewoon' beschrijf ik twee manieren om naar inclusie te kijken. Het maakt uit welke je kiest.
In de eerste staat het kind centraal als drager van het probleem. Het kind voldoet niet aan de norm, dus gaan we zoeken wat er met dit kind "is". We plakken labels, schrijven handelingsplannen, organiseren extra zorg - of we concluderen dat deze leerling niet in deze setting hoort. Ik noem dit het individuele model.
In de tweede staat de omgeving centraal. De vraag verschuift van "wat is er mis met dit kind?" naar "wat vraagt deze leerling van ons als school, team en omgeving?" Het gaat dan over pedagogisch klimaat, over variatie in hoe je lesgeeft, over ruimte in het rooster, over samenwerking met ouders. Dit noem ik het contextuele model.
In het individuele model wordt het kind gecorrigeerd zodat het beter past. In het contextuele model wordt de context bevraagd en aangepast zodat er meer kinderen kunnen floreren. De eerste verwijzing gebeurt in ons hoofd.
Voordat er een aanvraag is gedaan, voordat een kind naar een andere school gaat, gebeurt er iets anders. De eerste verwijzing vindt plaats in het hoofd van mensen.
Het moment waarop we denken: "Deze leerling voldoet niet aan de norm." Of: "Dit kind past hier eigenlijk niet." Of: "Dit gaan wij in deze klas niet redden."
Dat zijn cruciale momenten. Daar wordt de beweging ingezet van includeren naar uitsluiten, vaak nog voordat er één formulier is ingevuld.
In het individuele model normaliseren we dat. Het is dan logisch om te zeggen: "Voor dit kind is speciaal onderwijs beter." In het contextuele model stellen we eerst een andere vraag: wat zouden wij als school, als team, als samenwerkingsverband anders kunnen doen, zodat dit kind minder hoeft te concluderen dat het aan hem of haar ligt?
Ik ken prachtige scholen in het speciaal onderwijs waar met veel vakmanschap, liefde en toewijding wordt gewerkt. In sommige situaties is zo'n specifieke context nodig, tijdelijk of langdurig. Dat erken ik volledig.
Waar ik wel moeite mee heb, is dat we een deel van wat nu in het speciaal onderwijs gebeurt, eigenlijk nodig hebben omdat het reguliere onderwijs te smal is georganiseerd. Te weinig ruimte, te weinig variatie, te weinig vertrouwen.
Vermindering van speciaal onderwijs is voor mij dan ook geen doel, maar een mogelijk effect. Een effect van steeds beter worden in het contextuele model.
Als scholen, samenwerkingsverbanden, gemeenten en jeugdhulp dat model serieus nemen, ontstaat er iets: meer variatie in hoe je onderwijs organiseert, meer ruimte om af te wijken van de standaardroute, meer samenwerking tussen regulier en speciaal, meer vertrouwen op pedagogische relaties in plaats van alleen op diagnoses.
Het gevolg daarvan kan zijn dat minder kinderen uitstromen naar speciaal onderwijs, of dat kinderen korter in een speciale setting zijn en sneller weer kunnen terugkeren. Maar dat is een gevolg, geen uitgangspunt.
De vraag "ben jij tegen speciaal onderwijs?" zet het gesprek meteen vast. In kampen. Terwijl het echte gesprek ergens anders begint.
Welke kinderen groeien nu op met het gevoel dat het aan hen ligt dat zij niet aan onze normen voldoen? Wat zegt dat over onze normen? Wat zegt dat over de manier waarop we onderwijs en jeugdhulp hebben georganiseerd?
Speciaal onderwijs is dan een onderdeel van een grotere infrastructuur. Niet de vijand, niet de oplossing, maar een deel van het geheel.
Als we het contextuele model serieus nemen, gaan we anders kijken naar de grens tussen regulier en speciaal. Minder als scheidslijn tussen "normaal" en "niet normaal", meer als een continuüm van mogelijkheden waar kinderen gebruik van kunnen maken. En dat zonder dat hun zelfbeeld onnodig beschadigd raakt.
Mijn inzet is daarom niet een campagne tegen speciaal onderwijs, maar een pleidooi voor een andere manier van kijken en organiseren:
Minder snel concluderen dat het "aan het kind ligt". Meer structurele aandacht voor de context. Meer gezamenlijke verantwoordelijkheid in plaats van doorschuiven. En meer kinderen die ervaren: ik doe ertoe, ook als ik anders leer, anders denk of anders reageer.
Als dat lukt, zullen de cijfers van speciaal onderwijs waarschijnlijk veranderen. Maar belangrijker nog: de innerlijke verhalen van kinderen veranderen.