
Er zijn twee manieren om naar gedrag te kijken. In dit artikel gaan we in op beide manieren en wat deze manieren betekenen.
In de bouwhoek pakt Dré weer speelgoed af. Marloes kijkt geïrriteerd. "Hij luistert gewoon niet," zegt ze tegen haar collega. Ze geeft hem een strenge waarschuwing. Bram reageert anders. "Wacht," zegt hij. "Wat gebeurt hier eigenlijk?" Hij kijkt rond. De tafel is vol, blokken liggen overal, kinderen roepen door elkaar. "Hé Dré," zegt Bram, "ik zie dat je graag wilt meespelen. Zullen we samen een beurtenspel doen?"
Twee professionals. Allebei betrokken, allebei professioneel. Maar hun manier van kijken bepaalt wat ze zien. En wat ze zien, bepaalt welke stappen ze zetten.
Wie herkent het niet? Er is altijd dat ene kind waar het in het teamoverleg over gaat. Elke uitbarsting valt op, elk lastig moment wordt benoemd. Voor je het weet is het onderwerp van gesprek steeds hetzelfde kind.
Dit heet het spotlight-effect. Zodra een kind opvallend gedrag laat zien, gaat er als het ware een lamp aan die steeds op dat kind gericht blijft. Collega's kennen het als "die drukke jongen", ouders horen terug dat hun kind "altijd moeite heeft met XYZ", en het kind zelf krijgt ook door dat het vooral als lastig gezien wordt.
Het risico is duidelijk: andere kanten verdwijnen uit beeld. Je ziet niet meer dat dezelfde jongen rustig een puzzel kan maken. Het kind wordt in de ogen van het team zijn gedrag. En precies dat maakt inclusie onmogelijk.
Hoe komt dat? Het heeft te maken met de bril die we opzetten. In mijn boek Van bijzonder naar gewoon: inclusieve kinderopvang noem ik hem de kindbril: een manier van kijken waarbij we inzoomen op het individuele kind en de oorzaak daar zoeken.
Met de kindbril stel je vragen als: moet ik dit signaleren? Is er misschien een diagnose die dit gedrag verklaart? Is dit kind overprikkeld, impulsief, of niet in balans?
Die bril is niet verkeerd. Soms helpt het om goed te kijken naar wat een kind persoonlijk nodig heeft. Maar er zit een risico in. Als je alleen door deze bril kijkt, wordt elk verschil een probleem dat opgelost moet worden. Het kind wordt steeds meer gezien als "het probleem" en de groep verdwijnt uit beeld.
Taal versterkt dit. Dossiers, signaleringslijsten, protocollen. Overal klinkt de taal van risico's en achterstanden. "Zorgkind", "VVE-kindje", "rugzakje": het kind wordt onbewust het probleem.
Er is een andere manier van kijken. Ik noem hem de contextbril. Het is als een groothoeklens: je zet een stap achteruit en neemt de hele situatie mee in je blik.
Met de contextbril stel je andere vragen. Wat gebeurt er in de groep waardoor dit gedrag ontstaat? Hoe is de ruimte ingericht? Welke overgang ging hieraan vooraf?
Terug naar Dré. Met de kindbril denk je: misschien is hij impulsief, heeft hij moeite met delen, is er sprake van een ontwikkelingsstoornis. Met de contextbril vraag je: hoe is het speelgoed eigenlijk aangeboden? Is er genoeg? Ligt alles door elkaar?
Bram paste het spel aan. Hij maakte een beurtenspel met duidelijke regels. Binnen enkele weken was de rust terug. Niet omdat Dré veranderde, maar omdat de omgeving veranderde.
Of neem Karim, vier jaar, die structureel weinig eet tijdens de lunch. Met de kindbril denk je al snel: misschien een eetprobleem, misschien kieskeurig, misschien sensorisch iets. Met de contextbril kijk je anders. Is ons eetmoment te druk? Is er te veel afleiding? Zou Karim meer eten als hij een vaste, rustige plek heeft?
De oplossing ligt dan niet in het kind, maar in hoe de groep georganiseerd is. De contextbril geeft handelingsruimte. Je kunt het ritme rustiger maken, een overgang voorspelbaarder, de spelhoek uitnodigender. De oplossing ligt niet altijd in het kind.
Waarom zetten we dan zo vaak de kindbril op? Niet omdat we slechte professionals zijn. Het zit ingebakken in routines, formulieren en protocollen. Alles om ons heen (opleidingen, beleid, checklists) duwt ons richting een blik die scherp stelt op het kind zelf.
Daar komt de druk van ouders bij die "er op tijd bij willen zijn". Van buurvrouwen die al logopedie hadden toen hun zoon tweeënhalf was. Van beleidsdocumenten die spreken over vroegsignalering en risicokinderen. Niemand bedoelt het verkeerd. We willen kinderen kansen geven. Maar ongemerkt verandert onze blik. De bril die we opzetten richt zich op het kind als drager van risico's.
Daarbij komt de psychologisering van alledaags gedrag. Overprikkeld, dysregulatie, hechtingsstoornis: die termen kunnen helpen, maar versmallen je blik als ze de eerste reflex worden. De rol verschuift van pedagogisch naar diagnostisch. En dat geeft druk: je moet "niets missen".
Maar peuterbuien horen ook bij ontwikkelen. Een stil kind van drie is soms gewoon een stil kind van drie. Niet elk verschil hoeft opgelost te worden.
De vraag "Met welke bril kijk ik nu?" kan al genoeg zijn. Niet als verwijt naar jezelf of je collega's, maar als opening. Een uitnodiging om even stil te staan bij wat je eigenlijk ziet, en wat je misschien niet ziet.
Stel dat een collega zegt: "We moeten dit kind echt laten observeren, ik denk dat er meer speelt." Dan is het de moeite waard om samen even te pauzeren. Met welke bril kijken we eigenlijk? En wat zou er gebeuren als we de andere bril opzetten?
praten over wat je ziet, zonder dat één manier van kijken het laatste woord krijgt. Je oefent in wisselen: soms de loep voor scherpte, vaker de groothoek voor ruimte. Niet omdat de kindbril fout is, maar omdat je pas echt kunt kiezen als je weet welke bril je op hebt.